ONDERZOEK – Vrouwen en de Nederlandse Rijkswerkinrichting

In januari 2025 verdedigde Marian Weevers (Universiteit Leiden) haar proefschrift ‘Gevangenis of toevluchtsoord? Vrouwen en de Rijkswerkinrichtingen in Nederland 1886-1934’. De Rijkswerkinrichtingen waren instellingen waar dakloze mensen werden opgesloten, en waar ze verplicht moesten werken. Marian Weevers toonde aan dat vrouwelijke landlopers niet alleen als passieve pionnen naar zulke inrichtingen werden gestuurd door de autoriteiten, maar dat sommige vrouwen de instellingen actief gebruikten als overlevingsstrategie.

In deze bijdrage geeft Marian Weevers een samenvatting van haar proefschrift.

Landlopers

In het laatste kwart van de negentiende eeuw troffen westerse overheden nieuwe maatregelen tegen landloperij en bedelarij. In Nederland leidde het tot de oprichting van Rijkswerkinrichtingen – vergelijkbaar met de Koloniën van Weldadigheid. Rijkswerkinrichtingen waren instellingen waar landlopers, bedelaars en dronkaards gedurende lange tijd – maximaal drie jaar – gedwongen aan het werk werden gezet. Mensen die daar vastzaten, waren niet in cellen opgesloten. Zij werkten gezamenlijk en sliepen op slaapzalen.

Opzending naar een Rijkswerkinrichting was een bijkomende straf en uitsluitend van toepassing op landlopers, bedelaars en mensen die herhaaldelijk betrapt waren op openbare dronkenschap. De rechter kon deze straf alleen opleggen in combinatie met een hoofdstraf van meestal een aantal dagen hechtenis in een gevangenis. Na hun gevangenschap werden ze dan doorgestuurd naar de Rijkswerkinrichting. Aangezien het om verplichte tewerkstelling ging, mocht de rechter alleen mensen naar een Rijkswerkinrichting sturen die in staat waren om te werken.

De Rijkswerkinrichting voor vrouwen in Leiden (Erfgoed Leiden en Omstreken)

Vrouwen in de Rijkswerkinrichting

Wie aan landlopers denkt, denkt meestal aan mannen. Dat er tussen 1886 en 1934 in Nederland ook ruim duizend vrouwen in een zogeheten Rijkswerkinrichting verbleven, is veel minder bekend. Aanvankelijk gingen zowel mannen als vrouwen naar Veenhuizen, een Rijkswerkinrichting nabij Drenthe. Na 1890 kwamen de vrouwen terecht in een aparte Rijkswerkinrichting voor vrouwen in Leiden.

Eén van deze vrouwen was Maria Stoker: zij bracht de laatste tien jaar van haar leven grotendeels in een Rijkswerkinrichting door. In die periode kwam zij eenmaal via gratie vrij. Zij was namelijk totaal ongeschikt voor enige arbeid. De arts van de Rijkswerkinrichting stelde vast dat ze leed aan ‘een slepende longontsteking, een slepende maagdarm catarrh en algemene vermagering en lichaamszwakte’.

Na haar vrijlating in 1898 stond zij echter al snel weer voor de rechtbank en belandde zij wederom in de Rijkswerkinrichting. Hier kwam zij, aldus dezelfde arts, ‘in zeer zwakke toestand aan zodat zij rechtstreeks naar de ziekenzaal door kon’. Daar overleed zij na vijf maanden. Ze was 64 jaar oud.

Foto uit een signalementskaart (Archief Amsterdam online).

Oud, ziek en toch tewerkgesteld

De vraag is waarom een chronisch zieke vrouw als Maria herhaaldelijk in een Rijkswerkinrichting terecht kwam; een instelling bedoeld als straf voor mensen die kónden werken maar daar – volgens de toenmalige opinie – te lui voor zouden zijn. Maria was geen uitzondering. Het is niet verbazingwekkend dat veel vrouwen in de Rijkswerkinrichting arm en alleenstaand waren. Het is evenmin verrassend dat een kwart van hen weleens betrapt was op een ander delict: diefstal, heling of onzedelijk gedrag.

Wat wél verrassend is, gezien het doel van de Rijkswerkinrichtingen, is dat veel vrouwen relatief oud waren: de meesten waren ruim boven de vijftig. Bovendien kampten velen met ziektes en beperkingen. Doofheid, slechtziendheid en problemen met lopen kwamen regelmatig voor. Daarnaast waren er vrouwen met kanker, beroertes of hartproblemen. Ruim 10% van de vrouwen leed aan psychiatrische aandoeningen. Wanneer dit laatste leidde tot onhanteerbaar gedrag of extreme hulpbehoevendheid werden zij overgeplaatst naar een Rijkskrankzinnigengesticht.

Pauper agency

Andere onderzoekers lieten al zien dat vergelijkbare maatregelen in verschillende landen in de zeventiende en achttiende eeuw vaak hun doel voorbij schoten. De paupers die in het vizier kwamen van de overheid, zagen namelijk regelmatig kans de disciplinerende maatregelen in te zetten voor eigen doelen, zoals hun overleving. Voor dit fenomeen gebruiken onderzoekers de term pauper agency.

De vraag is of pauper agency ook kan verklaren waarom er zoveel oude en zieke vrouwen tussen 1886 en 1934 in een Rijkswerkinrichting verbleven. Om deze vraag te beantwoorden, heb ik hun weg naar, in en uit de werkinrichting gevolgd aan de hand van verschillende bronnen.

Naar de Rijkswerkinrichting

Op weg naar de Rijkswerkinrichting troffen de vrouwen politie en justitie op hun pad. Uit ruim 500 bestudeerde vonnissen blijkt dat slechts een enkeling had geprotesteerd tegen haar vonnis tot opzending. Vrijwel alle vrouwen meldden dat zij tot werken in staat waren, zelfs degenen die ziek of hoogzwanger waren. Sommigen bleken zelfs expliciet om opzending gevraagd te hebben.

Christina Koster bijvoorbeeld stuitte al bedelend op de hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie, die haar onmiddellijk liet arresteren. Tegen de agent die haar aanhield, zei zij dat zij weliswaar lucifers bij zich had om te verkopen, maar deze verborgen hield. Zij wilde namelijk naar de Rijkswerkinrichting, omdat zij daar een bril kon krijgen. Zij zou graag werken maar kon dat niet door een oogziekte.

Inschrijfregister van de Rijkswerkinrichting voor vrouwen, deel 1 (Nationaal Archief Den Haag)

De Rijkswerkinrichting verlaten

Eenmaal in de Rijkswerkinrichting, dienden sommige vrouwen een gratieverzoek in. Hoewel ze aanvankelijk zelf hadden aangestuurd op een opsluiting in een Rijkswerkinrichting, maakten het perspectief op werk of hereniging met familie dat zij op zoek gingen naar een manier om de inrichting te verlaten. Zo was Everdine Holstege door ruzie met haar inwonende schoonmoeder op straat beland. Met het vertrek van deze schoonmoeder leek de weg vrij voor hereniging met haar echtgenoot en vroeg zij gratie.

Als hun straf er bijna op zat, kwamen de bewoonsters van de Rijkswerkinrichting in contact met het Leidse damescomité van het Nederlands Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen. Dit comité wilde de vrouwen helpen na hun ontslag. Het register dat het comité bijhield, geeft inzicht in de alternatieven die er voor hen beschikbaar waren – of liever, alternatieven die meestal níet beschikbaar waren.

Familie had vaak een rol in hun problemen gespeeld en werk was moeilijk te vinden, oud en ziek als zij waren. Hierdoor was ook onderdak een groot probleem. In oudevrouwenhuizen bleken vrouwelijke landlopers niet altijd welkom. Bovendien waren deze bejaardentehuizen vaak minstens zo disciplinerend als de Rijkswerkinrichtingen. De bewoners sliepen op slaapzalen, moesten op vaste tijden eten, gestichtskleding dragen en huishoudelijke taken verrichten in ruil voor onderhoud. Roken en alcohol waren meestal verboden en de vrouwen mochten alleen met toestemming de deur uit.

Gevangenis of toevluchtsoord?

Ondanks de strenge regels in de Rijkswerkinrichting en de verplichte tewerkstelling, gebruikten sommige vrouwen opsluiting in zo’n instelling als deel van hun overlevingsstrategie. Een citaat uit de aantekeningen van het bovengenoemde Leidse damescomité illustreert dit:

D [Dirkje] Severs heeft te Wageningen 4 broers en wil daar met negotie [kleine handelswaar] gaan lopen. Als het niet gaat komt ze met genoegen terug [in de Rijkswerkinrichting] want al werkt ze nog zo hard, zo goed kon ze het nergens krijgen. Alleen eens twee borrels, dat zou haar ‘courazie’ geven.

Waarschijnlijk deelde niet elke vrouw de mening van Dirkje en zo’n prettige verblijfsplaats zal de werkinrichting niet geweest zijn – zeker niet in onze hedendaagse ogen. Maar de instelling bood onderdak, drie sobere maaltijden per dag, kleding en medische zorg. Het geeft vooral aan hoe zwaar het leven voor deze vrouwen geweest moet zijn. De geraadpleegde bronnen tonen overtuigend aan dat ook hier sprake was van pauper agency. De Rijkswerkinrichting waren voor meerderen niet zozeer een straf, maar eerder een toevluchtsoord.

Meer weten

Over de auteur

Marian Weevers studeerde geschiedenis aan de Universiteit Leiden en maatschappijgeschiedenis in Rotterdam. Na het afronden van haar studie in 1986 was zij werkzaam bij verschillende overheden in de functie van beleidsadviseur, projectleider en programmamanager. In 2015 startte zij als parttime buitenpromovendus bij het Instituut voor Geschiedenis van de Universiteit Leiden.

Een reactie achterlaten