VERHAAL – De schedelcollectie van de Gentse Gevangenis

In 1845 ontvangt de Gentse Universiteit een bijzondere schenking van de Gevangenis van Gent: een collectie van honderden schedels. Het zijn schedels van overleden gedetineerden. De collectie wordt later opgenomen in het anatomisch museum van de universiteit, waar ze de aandacht trekt van academici in binnen- en buitenland. In zijn werk ‘Le Crâne des Criminels’ (1895) bestempelt de Franse arts Charles Debierre de Gentse collectie als ‘uniek’.

Door: Laura Nys

In de jaren 1820 beginnen artsen in het Gentse Maison de Force schedels van overleden gedetineerden te verzamelen. Dit gebruik is niet nieuw: het gaat terug tot de vroegmoderne tijd, toen de lichamen van geëxecuteerde misdadigers gebruikt werden voor dissectie. Rond 1840 telt de collectie van de Gentse gevangenis zo’n 170 schedels. Een bijbehorend register verschaft informatie over de persoon achter de schedel. Het register vermeldt persoonsgegevens zoals de leeftijd van de overleden gedetineerde, zijn misdrijf en straf.  

Anatomisch museum

De collectie schedels trekt de aandacht van artsen. Zij pleiten ervoor om de collectie over te dragen aan de universiteit, zodat de schedels gebruikt kunnen worden voor onderzoek. In 1845 wordt de collectie deel van het anatomisch instituut van de Rijksuniversiteit Gent. De schedels worden met open armen ontvangen: veel musea maken op dat moment gebruik van kopieën in plaaster. Dat het hier gaat om honderden échte schedels, maakt de collectie uiterst waardevol. De schedels worden niet enkel gebruikt in onderzoek, maar ook in lessen.

Frans bezoek

Aan het einde van de negentiende eeuw trekt de collectie de aandacht van internationale bezoekers – onder wie de Franse arts Charles Lebierre. Zijn werk Le crâne des criminels (1895) bevat een ‘fysieke en morele studie van criminelen’. Lebierre, zo stelt hij in de inleiding, bestudeert ‘de schedel, de hersenen, de fysionomie en de slechte instincten van de professionele dief en moordenaar’. Zo wil hij achterhalen welke omstandigheden leiden tot ‘de vorming van vicieus denken en criminele impulsen’ (p. I-II).

De criminele antropologie en schedelleer

Met dit soort ideeën is Lebierre een echt kind van zijn tijd. Aan het einde van de negentiende eeuw maakt de ‘criminele antropologie’ opgang. Deze wetenschappelijke tak bestudeert de fysieke kenmerken en persoonlijkheid van misdadigers. In navolging van de Italiaan Cesare Lombroso voeren crimineel antropologen systematische onderzoeken uit op gedetineerden. Zo willen ze een classificatie opstellen van misdadigers.

Lebierres studie naar de schedels van criminelen moet dan ook in die context gezien worden. Naast de Gentse schedels, maakte hij ook gebruik van collecties uit Parijs, Brussel, Luik en Lyon. Zijn metingen giet hij in zorgvuldige tabellen en tekeningen, zoals hieronder te zien.

Toch is zijn conclusie kritisch: ‘le crâne de l’assassin ne forme donc pas plus un type particulier que l’assassin lui-même ne forme un type anthropologique spécial’. In plaats van een exclusieve focus op de schedel, vestigt hij de aandacht op een veelheid aan factoren zoals het sociale milieu, het zenuwstelsel en een gebrek aan remmingen. Het boek wijst op de debatten die heersen binnen de criminele antropologie over de vermeende oorzaken van criminaliteit. In België is vooral Louis Vervaeck toonaangevend geweest voor de ontwikkeling van de criminele antropologie.

Het lot van de schedels

Hoe gaat het verder met de schedelcollectie van de Rijksuniversiteit Gent? Aan het einde van de negentiende eeuw worden de schedels opgesteld in het kabinet van de vergelijkende anatomie. Deze opstelling contrasteert schedels van veroordeelden met die van andere groepen. Het past in het toenmalige denken over rassentheorieën en sociale groepen. De anatomische taxonomieën leveren een zogenaamd wetenschappelijke rechtvaardiging voor de vermeende minderwaardigheid van bepaalde etnische of sociale groepen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de craniometrie (schedelleer) gebruikt voor het verdedigen van nazistische opvattingen over de vermeende suprematie van het Arische ras. Ook sommige onderzoekers van de Rijksuniversiteit Gent hebben nazistische sympathieën, zoals de anatomist Roger Soenen. Nadat hij in 1931 ontslagen was wegens uitgesproken Vlaams-nationalistische overtuigingen, geeft de Duitse bezetter hem in 1941 zijn positie terug. Zo wordt hij verantwoordelijk voor de anatomische collecties. Hij gebruikt de anatomie ter verdediging van een racistische ideologie die steunt op witte suprematie, anti-semitisme en eugenetica. Hoewel Soenens in zijn publicaties niet rechtstreeks verwijst naar de schedels van de overleden gedetineerden, achten historici het zeer waarschijnlijk dat hij de schedels gebruikt in lessen waarin hij studenten aanleert om ‘raciale variaties’ te meten. Zo geraakt de collectie geassocieerd met een raciale ideologie.

Na de oorlog maakt men komaf met deze gewelddadige ideologie – en ook met de schedels. Voor Soenens opvolger vormen de schedels een tastbare herinnering aan de extremistische ideologie van zijn voorganger. Hij laat de schedelcollectie vernietigen.

Meer weten


Een reactie achterlaten