Willy Van den Bergh is actief als vrijwilliger bij Outlaw. Na een professionele loopbaan in het gevangeniswezen legt hij zich toe op de geschiedenis van de Rijksweldadigheidskolonies voor landlopers en bedelaars. Wekelijks vind je hem in het Rijksarchief Antwerpen, waar hij inlichtingenstaten uit de landloperskolonie verwerkt. “Je mag niet stoppen met gisteren, je moet bezig zijn met morgen.”
Door: Laura Nys
Hoe ben je bij Outlaw terechtgekomen?
Dat kwam eigenlijk via het project ‘Dwaallichten’, een project rond de Koloniën van Weldadigheid. Tussen 1866 en 1993 was de Wet op de Landloperij van kracht. Dak- en thuisloze mensen – zogeheten ‘landlopers’ – en bedelaars werden gedwongen tewerkgesteld in de ‘Koloniën van Weldadigheid’. In samenwerking met de Erfgoedcel Noorderkempen, Kempens Landschap, Stadsmuseum Hoogstraten, Rijksarchief Antwerpen-Beveren en het Gevangenismuseum Merksplas zijn er toen zo’n 90.000 inlichtingenstaten van de Koloniën van Weldadigheid gescand. Die zijn dan via het digitale platform ‘Vele Handen’ verwerkt door een vrijwilligersgroep. Dat had veel voordelen: als je van thuis uit kan werken, neemt dat al een grote drempel weg voor veel mensen. De vrijwilligers waren verspreid van het noordelijke topje van Nederland tot de bodem van Vlaanderen. Elk dossier werd ingevoerd door twee mensen en gecontroleerd door een derde persoon. Na de controle werden die dan online geplaatst. De zoekmachine ‘Zoek je voorouders’ is daaruit voortgekomen.
Omdat ik de coördinatie van dat project gedaan, werd ik gevraagd om het systeem voor te stellen via een webinar. Zo zijn we in contact gekomen met SOS Antwerpen [een onderzoeksproject over sterfte en sociale ongelijkheid] en nadien ook met Outlaw.

Wat trekt je aan in project Outlaw?
In de eerste plaats was ik nieuwsgierig: in mijn professionele loopbaan heb ik die registers van de morele boekhouding nooit gekend [notities over de familieachtergrond, het opleidingsniveau, het gedrag en de fysieke en mentale toestand van gedetineerden]. Verder was er de groep van vrijwilligers, die goed met elkaar samenwerkten. Dat was een dankbaar gegeven om in stand te houden. Na afloop van project Dwaallichten zijn we bijvoorbeeld eens samengekomen met een vijftigtal vrijwilligers, waarbij ze konden kennismaken met het Gevangenismuseum en de omgeving van de vroegere Kolonie. Verder organiseren we elke eerste donderdag van de maand een museumbabbel’ waar iedereen met interesse in de geschiedenis van de Koloniën van Weldadigheid welkom is. Zo blijven we elkaar ontmoeten en kennis uitwisselen. Dat is belangrijk! Wij moeten die kennis delen.
Inhoudelijk wilde ik bij Outlaw ook ontdekken wie er toen precies in die gevangenissen zat. Bij de voorstelling van het project liet An Vandenberghe enkele fiches zien van individuen die in de gevangenisregisters waren opgenomen. Ondertussen gaf ik die namen in op de zoekmachine van Zoek je Voorouders, waar de namen van landlopers in zijn opgenomen. Misschien was het toeval, maar alle namen die An ons toonden, zaten ook in de databank van Zoek je Voorouders! Dat maakte het nog extra interessant om daarmee verder te gaan.
Tot slot: wanneer je je leven hebt doorgebracht in de gevangenissen, begrijp je de taal beter die je tegenkomt in de dossiers. Om een voorbeeld te geven: bij hun aankomst werden de landlopers vroeger geregistreerd in registers. Die zijn geordend in chronologische boeken. Een landloper die vijftien keer terugkomt, kan dus in vijftien verschillende boeken staan. In zo’n register heb je een opeenvolgende rij van nummers, één nummer per binnenkomst. Maar aan sommige nummers was een letter toegevoegd, bijvoorbeeld 8502 B. Ik wist dat dat niet zomaar was: ‘B’ verwees naar de kolonie van Merksplas, A naar die van Wortel, enzovoort. Dat lijken details, maar zulke zaken hebben wel een belang voor het verhaal van een individuele landloper.
Je bent zelf professioneel actief geweest in het gevangeniswezen. Kan je daar iets meer over vertellen?
In januari 1972 ben ik begonnen op de griffie van de gevangenis van Antwerpen, in de Begijnenstraat. Ik was meteen aangetrokken tot dat werk, niet in het minst omdat ik met mensen kon werken. Ik woonde in een gehucht bij Essen, een dorp waar iedereen elkaar kende. Toen ik er pas werkte, werd er een man opgesloten uit dat dorp. Hij werd verdacht van slagen en verwondingen aan zijn schoonzoon. Deze laatste loste zijn familiale problemen nogal eens op ter hand en ter vuist, tegen zijn vrouw. De schoonvader kwam dus tussen beide omwille van zijn dochter en vloog de gevangenis in. Ik kende die man. Hij was ergens tussen de vijftig en de zestig jaar, wat voor mij toen heel oud was. Hij was op zijn veertien jaar beginnen werken en leefde op het randje van de armoede. In de Begijnenstraat zat hij de hele dag in een oud celletje. TV was er nog niet. Gedetineerden mochten wel een boek lenen uit de gevangenisbibliotheek, maar de man had nooit leren lezen. Ik vond dat hij ontzettend zwaar gestraft werd. Dus af en toe deed ik iets wat niet mocht: ik ging met die man op zijn cel babbelen, gewoon om de nieuwtjes van ons dorp te vertellen. Dat zijn dingen die blijven plakken.
Na Antwerpen werkte je een hele tijd in Merksplas. In de jaren ’80 werd je directeur van de gevangenis in de Begijnenstraat. Hoe heb je die periode ervaren?
Ik heb het geluk gehad dat ik dikwijls veel vrijheid heb gekregen. Ik werd gevangenisdirecteur in een interessante periode. In Merksplas was er net een opstand geweest waarbij nogal wat vernielingen hadden plaatsgevonden. Die moesten hersteld worden en er kwam extra beveiliging. Toen ik naar Antwerpen ging, waren er een honderdtal veroordeelden die vanuit Merksplas mee naar Antwerpen verhuisden.
In die periode had de gevangenis van Antwerpen als arresthuis niet veel ervaring met strafuitvoering en het organiseren van personeelsconferenties. Op zulke vergaderingen besprak men de dossiers van veroordeelden met het oog op modaliteiten van uitvoering zoals de vervroegde vrijlatingen. Ik heb dat dus een beetje mogen opzetten naar eigen goeddunken. Dan wordt werken heel interessant; je gaat op een andere manier naar het dossier kijken: niet alleen als een administratief gegeven, maar vooral naar de mens achter dat dossier. Dat beïnvloedt de manier waarop je dan met gedetineerden en veroordeelden omgaat.
De sociale dienst was toen ondergebracht bij het Ministerie van Justitie. Die beschikten over een binnendienst – alle personeelsleden die in de gevangenis werkten – en een buitendienst – de mensen die de opvolging deden van mensen die voorwaardelijk in vrijheid waren gesteld. Zij deden ook een voorbereidend onderzoek, de ‘maatschappelijke enquête’. Dit speelde mee in het beoordelen van de voorstellen voor de vervroegde vrijlating. Maar als zo’n veroordeelde of gedetineerde eenmaal vrijkwam, zat die plots tegenover iemand van een sociale dienst die hij of zij totaal niet kende. Ik heb ervoor gezorgd dat we bij de personeelsconferenties alvast medewerkers van de buitendienst uitnodigden. Zij zouden dan onze afwegingen horen over het voorstel dat voor die persoon op tafel lag. Wanneer wij dan een positief voorstel deden, kon de sociaal werker al gaan kennismaken met de veroordeelde.

Na Antwerpen keerde je toch terug naar Merksplas. Hoe was dat?
Merksplas bestond eigenlijk uit aantal aparte gebouwen: paviljoen A, B, enzovoort. Buiten de muren had je nog een aantal gebouwen. Daar zaten de landlopers, en gedurende een bepaalde periode zaten er ook kortgestraften en mensen die ter beschikking van de dienst Vreemdelingenzaken waren gesteld. Binnen de directie was ik de enige niet-criminoloog. Ik kreeg o.a. de afdeling van de landlopers toebedeeld – misschien waren de landlopers niet ‘crimineel’ genoeg voor de criminologen? [lacht]
Naar de landlopers werd niet echt omgekeken. In theorie was er iemand van de maatschappelijke dienst die óók voor onze afdeling instond, maar in de praktijk was er zo goed als geen begeleiding. Dat was vreemd, want er werd al langer kritiek geleverd op het feit dat België mensen juist vanwege hun armoede veroordeelde. Op een gegeven moment ontstonden er hier en daar ook allerlei lokale initiatieven om mensen op te vangen. Die opzet van deze (veelal) vzw’s was goed, maar er ontbrak coördinatie en samenhang. Elke opvangplaats moest zelf op zoek gaan naar werkingsmiddelen.
In 1993 werd de wet op de landloperij afgeschaft. Jij werkte toen in Merksplas. Hoe heb je die periode beleefd?
In de jaren negentig bestond het Belgisch Staatsblad [de officiële publicatie van Belgische wetten, decreten enz.] enkel op papier. Die papieren versie arriveerde elke dag, maar mocht in Merksplas alleen door sommigen gelezen worden. Op een dag kwam ik te vroeg op onze dagelijkse directievergadering. Helemaal teruggaan naar mijn afdeling was geen optie. Al wachtende merkte ik een hele stapel Belgisch Staatsbladen op. Die kregen wij nooit te zien. Terwijl ik wachtte, pakte ik lukraak het blad dat bovenaan de stapel lag. Ik begon erin te bladeren. Zo kwam ik te weten dat de Wet op de Landloperij drie weken later zou worden afgeschaft!
Ik vertelde dat meteen aan het inrichtingshoofd, maar hij leek er niet echt wakker van te liggen. Later wel – niet vanwege de landlopers, maar vanwege het beheersysteem. De inrichtingen waren namelijk zelfbedruipend: ze konden zelf dingen produceren en verkopen. De winsten werden dan geïnvesteerd in de inrichting, bijvoorbeeld voor het beheer van de gebouwen. De staatskas kwam enkel tussen voor bepaalde kosten, zoals de personeelskosten. Ik belde naar mijn collega in de inrichting van Wortel. Hij wist ook van niets. Die viel letterlijk van zijn stoel!
Daarna contacteerde ik de juridische dienst bij het bestuur der strafinrichtingen in Brussel. Een collega daar had nogal wat onderzocht en gepubliceerd over landloperij. Maar ook hij had niets gehoord van de afschaffing van de wet! Het bestuur der strafinrichtingen was dus niet op de hoogte van een wet die gepubliceerd was in het Staatsblad, een wet die onder meer mee door de minister van Justitie was ondertekend! Van alle mensen in die keten die ik had opgebeld, had bovendien niemand het Belgisch Staatsblad gelezen.
Toen de Rijksweldadigheidsinrichtingen werden afgeschaft, verbleven er nog mensen. Wat gebeurde er met hen?
De wet voorzag in een uitdoofscenario. Landlopers mochten vrijwillig blijven zolang de hen opgelegde termijn van terbeschikkingstelling niet verstreken was. In Merksplas hadden we toen een redelijke groep vaste “vrijwillige” landlopers. Na elke vrijstelling gingen zij zich vrijwillig bij de politie aan om als landloper te kunnen terugkeren naar “hun” kolonie. Daarnaast was er een groeiende groep van zogeheten ‘maatschappelijk onaangepasten’ – mensen met psychische problemen en verslavingen die via een veroordeling als landloper in de vergeetput van Merksplas waren terechtgekomen. Deze laatsten zijn vertrokken bij de inwerkingtreding van de wet; de “vrijwillige” landlopers kozen voor het uitdoofscenario.
Als directeur woonde ik in een buitengewoon groot huis op het domein, met een tuin die bijna een park was. Er was een landloper aan mij toegewezen die mijn tuin zou onderhouden. Erg veel deed hij niet, maar dat maakte me niet veel uit. Tegenover mij woonde de psychiater van de strafinrichting. Ook bij hem werkte een landloper als tuinman. Die twee tuinmannen kwamen nogal goed overeen. De dokter en ik hebben toen een oplossing voor hen gezocht: ze konden met steun van het OCMW terecht in een appartement in Turnhout. Tegelijkertijd vroegen wij aan al onze kennissen of ze toevallig een tuinman konden gebruiken. We hebben ook twee fietsen voor hen op de kop getikt. Dankzij die mobiliteit kwamen ze elke zaterdag bij mij aan de deur bellen om te vertellen hoe hun week was gelopen. Na twee maanden waren ze zo blij zo blij zo blij: voor het eerst in hun leven hadden ze een bankkaart!
Nog een hele tijd hebben ze het volgehouden om elke zaterdag te komen, en na een tijdje stopten ze. Wat er daarna is gebeurd, weet ik niet. Die info kreeg ik niet doorgespeeld.
Sinds je pensioen leg je je toe op de geschiedenis van de inrichtingen. Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met de archieven?
Toen ik voor de eerste maal in Merksplas werkte, eind jaren zeventig, waren er heel wat personeelsleden die de oorlogsperiode hadden meegemaakt. Zij hebben mij verhalen verteld over Joodse vluchtelingen die voor en tijdens de oorlog in Merksplas verbleven, verhalen over de evacuatie van het interneringscentrum, verhalen over een aantal Joden die bij het uitbreken van de oorlog naar Frankrijk zijn overgeplaatst. Ze verbleven er dus in Franse gevangenissen met een Belgische afdeling, onder leiding van een Belgische directeur, Belgische personeelsleden. Ook de familie van de personeelsleden kwam mee. Die verhalen maakten grote indruk op mij. Ik vroeg me voortdurend af hoe het toch kon dat ik daar nergens iets over gehoord of gelezen had!
In diezelfde periode kreeg de inrichting ook brieven van Joodse mensen die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hadden. Om hun pensioen te krijgen, moesten ze hun loopbaan of levensverloop kunnen bewijzen. Daarom vroegen ze aan ons een attest van verblijf. En dus trok ik met veel plezier naar een leegstaande afdeling die aan het vervallen was: daar waren al die archieven toen opgeslagen.
Behalve die ongeordende stapels, was er ook een geordend archief. Daar zaten 120.000 dossiers van de morele boekhouding bij – de opvolger van de registers van de morele boekhouding. Waar een register gekoppeld was aan een gevangenis, was het dossier gekoppeld aan de individuele gedetineerde. Die archieven zijn nu overgedragen aan het Rijksarchief.
Waarom is het belangrijk dat we kennis hebben over de geschiedenis van opsluiting?
Een gevangenismuseum is in mijn ogen absoluut noodzakelijk in onze huidige maatschappij. Een bezoek aan een gevangenismuseum zou vast onderdeel moeten zijn van nogal wat schoolopleidingen, maar ook van opleidingen binnen bepaalde beroepssectoren. Een museum kan toelichting geven bij de evolutie van de strafuitvoering. Zo kan je mensen duidelijk hoe de handhaving werkt, wat justitiehuizen zijn, wat het betekent om met een enkelband te leven, … Er heerst ook nogal het idee dat cellen eigenlijk hotelkamers zijn – maar het tegendeel is waar. Zo’n museum is echt nodig.
Er zijn zoveel zaken die ergens beschreven moeten worden, die herinnerd moeten worden. Het verhaal over de Joodse vluchtelingen, maar zoveel andere dingen! Tijdens het project Dwaallichten ontdekten we toevallig een schets van een begraafplaats in de Wortel-Kolonie. Die schets stemde niet overeen met de begraafplaats die we kenden. Zo kwamen we een andere begraafplaats op het spoor. Met de toestemming van het agentschap Natuur en Bos hebben we het terrein onderzocht waarvan we vermoedden dat dit een begraafplaats was. Aan elk kruisje werd vroeger een loden identificatieplaatje gehangen. Daarop stond het registratienummer van de overledene. Via metaaldetectie hebben we meer dan honderd van zulke plaatjes teruggevonden! Via de begraafplaats kan je de geschiedenis van Wortel vertellen.
Kennis delen is belangrijk. Ik ben niet aan het verzamelen voor mezelf, maar voor diegenen die er iets mee gaan doen. Deze geschiedenis moet naar buiten komen.
Meer weten
- Hier ontdek je alles over de Koloniën van Weldadigheid.
- Wat staat er in een inlichtingenfiche van de Rijksweldadigheidskolonie? Lees het hier.
- Verbleef jouw voorouder in Wortel- of Merksplas-Kolonie? Onderzoek het hier.
- Lees hier alles over de begraafplaats van Wortel-Kolonie.
- Bezoek het Gevangenismuseum Merksplas.
- Lees hier verhalen over individuele landlopers.






