De Italiaanse kunstenaarsfamilie Granzella was geen onbekende voor het Belgische gerecht. Tussen 1836 en 1920 kwamen vader en zoon Granzella meermaals in aanraking met justitie – al kwamen ze niet altijd als verliezende partij uit de bus.
Een bijdrage van vrijwilliger Wim Vandenberghe
Van het Comomeer naar België
In 1835 verlaat de Italiaanse prenthandelaar Carlo Francesco Granzella zijn geboorteplaats, een klein dorpje aan het Comomeer. Zijn bestemming: België. Granzella is een van de talrijke Noord-Italiaanse prenthandelaars, -uitgevers en lithografen die in die periode naar onze contreien uitwijken om hun geluk te beproeven. In hun tijd stonden ze bekend als “les Italiens”. Tegenwoordig noemen historici deze Italiaanse handelaars de Tesini, naar het plaatsje Pieve Tesino waar veel van deze prentcommerçanten vandaan kwamen. Granzella vestigt zich in Brussel als prenthandelaar en lithograaf. Samen met zijn zakenpartner Pietro Citrini baat hij een zaak uit aan de Brusselse Grote Markt.

Luik 1: Een aanklacht in 1836
Als Granzella en Citrini hun zaak opstarten, is er grote vraag naar prenten van de zogeheten ‘Wonderdadige Medaille’. Deze medaille werd ontworpen na een vermeende Mariaverschijning in 1830 aan de Franse zuster Catharina Labouré in Parijs. Granzella en Citrini zien hun kans en ook zij brengen een prent uit van de Wonderdadige Medaille.
De concurrentie is bikkelhard. Een concurrerende handelaar beschuldigt Granzella en Citrini ervan zijn prenten te hebben nagemaakt. De klacht leidt in 1836 tot een eerste rechtszaak tegen Granzella. De prenten zelf zijn niet bewaard, maar het gerechtelijk dossier wel. Granzella en zijn zakenpartner worden na een kort proces volledig vrijgesproken. Criviccik, de eiser, draait op voor alle gerechtskosten.

Rooskleurige toekomst
De toekomst ziet er weer rooskleurig uit voor Carlo – inmiddels Charles – Granzella. Op 1 januari 1837 nodigt hij via een krantenadvertentie het publiek uit op een nieuwjaarsbal. Daar kan het publiek het nieuwe werk van Granzella en zijn zakenpartner Citrini bewonderen: een plan van Brussel dat ‘alle opmerkelijke bezienswaardigheden’ bevat die je in deze stad maar kan vinden. Het plan van Brussel is onvindbaar, maar hieronder zie je een ander plan gedrukt door Granzella en Citrini.
Het gaat Granzella voor de wind. Op 21 november 1838 trouwt hij in Sint-Jans-Molenbeek met de Belgische Anne Marie Zezymbrouck. Ze hebben eerder dat jaar al een zoon gekregen, die nu door hun huwelijk gewettigd wordt. Daarna volgen nog vijf zoons. Tegen 1854 heeft Charles Granzella een vestiging als uitgever en lithograaf in de Sint-Jansstraat in Brussel.
Marie-Henriëtte-gekte
In 1853 trouwt Marie-Henriëtte van Oostenrijk, Aartshertogin van Oostenrijk, met de Belgische kroonprins Leopold II. Net als de Mariaverschijning en de Wonderdadige Medaille, leidt het huwelijk tot grote publieke belangstelling – én tot commerciële kansen. Granzella publiceert daarom een nieuwe prent met een portret van Marie-Henriëtte van Oostenrijk. Dat zal hem echter zuur opbreken.
Op 4 februari 1854 loopt de uitgever Jules Géruzet door de Boterstraat in Brussel als zijn oog valt op de prent van Granzella, uitgestald in de zaak van een lijstenmaker. Géruzet koopt het portret en spant prompt een zaak aan tegen Granzella. De aanklacht: Granzella’s prent zou een kopie zijn van een portret dat Géruzet zelf eerder heeft uitgebracht…


Luik 2: Plagiaat anno 1854
Voor tijdgenoten van Granzella valt het niet te ontkennen dat de portretten inderdaad veel overeenkomsten vertonen. Met uitzondering van de oorbellen, de bloemen en de kledij, gaat het zelfs om exact hetzelfde portret, stelt Géruzet. Meer nog: dat de portretten elkaars spiegelbeeld zijn, is volgens Géruzet hét bewijs dat Granzella zijn portret heeft gekopieerd. Bij een lithografie worden afbeeldingen namelijk in spiegelbeeld gedrukt.
Granzella en zijn tekenaar Massart hebben daar een andere uitleg voor. Die laatste verklaart dat hij was beginnen schetsen in de Augustijnenkerk in Brussel, waar de Hertogin zich vaak ophield. Granzella beaamt dit: zijn tekenaar Massart heeft zich naar verschillende plaatsen in Brussel begeven om de Hertogin te zien. In de Augustijnenkerk kon hij haar gedurende meer dan een uur gadeslaan, wat resulteerde in een mooie schets. Granzella was zo onder de indruk van die schets dat hij een akkoord sloot met Massart en diens schets omwerkte tot een steendruk. Dit werd het portret dat hij uiteindelijk uitgaf – níet gebaseerd op Géruzets werk, maar gebaseerd op de tekening van Massart.
Is er een kunstenaar in de zaal?
Om te bepalen of Granzella zich inderdaad schuldig heeft gemaakt aan plagiaat, roept de rechtbank acht kunstenaars op om hun mening te geven. Verschillenden van hen wijzen op de opvallende gelijkenissen tussen de portretten: beide portretten geven de plooien in de hals op dezelfde manier weer, de schaduwen zijn gelijkaardig, en beide portretten hebben de Hertogin afgebeeld met een kleine imperfectie aan een van haar ogen. Volgens verschillende kunstenaars heeft Granzella het portret van Géruzet inderdaad gekopieerd. Twee anderen erkennen de gelijkenissen, maar geven Granzella het voordeel van de twijfel. Ze opperen dat Granzella het portret van zijn concurrent misschien als leidraad heeft genomen, maar niet heeft gekopieerd. Slechts één kunstenaar meent dat er geen sprake kan zijn van een kopie, en één kunstenaar onthoudt zich van een oordeel.
De rechtbank geeft Géruzet gelijk. Op 13 mei 1854 wordt Granzella veroordeeld en het vonnis wordt later in beroep bevestigd. Granzella moet 16.000 frank schadevergoeding en een boete van 212 frank betalen, bestemd voor de Brusselse armenkas. De lithografische steen en de prenten worden in beslag genomen. Ondanks deze tegenslag blijft Charles Granzella in Brussel werken als prentenuitgever tot zijn dood op 21 maart 1871.
Luik 3: zo vader, zo zoon?
Het criminele tweeluik heeft echter nog een slotstuk – niet van Carlo Granzella dit keer, maar van diens zoon Hubert (°1845). In 1878 wordt Hubert tot 13 maanden gevangenisstraf veroordeeld voor schriftvervalsing en diefstal. Het moreel register van de gevangenis leert ons dat Hubert een aan lager wal geraakte kunstschilder en tekenaar is. ‘Hoewel hij een mooi talent heeft,’ stelt het register, ‘leeft de veroordeelde in miserie en liep hij schulden op om te kunnen voorzien in logement en voedsel’ [quoique possédant un beau talent, le condamné vivait dans la misère, contractant des dettes, notamment pour logement et nourriture].
Zijn situatie verbetert er duidelijk niet op. In 1910 en 1914 duikt hij op als landloper in de Rijksweldadigheidskolonie van Hoogstraten-Wortel-Merksplas. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verblijft hij als vluchteling in Nederland. Zijn vierde opsluiting als landloper in Hoogstraten eind 1920 is meteen ook zijn laatste, want op 23 juni 1921 sterft hij in de weldadigheidskolonie. In zijn koloniedossier onderaan op de laatste pagina staat een afdruk van zijn duim waarmee hij de artistieke traditie van de Tesini een tijd lang heeft kunnen voortzetten.
Meer weten
- Wil je meer details weten? Lees dan deze uitgebreide tekst over vader en zoon Granzella, geschreven door Wim Vandenberghe.
Archiefbronnen
- Carlo Granzella: Rijksarchief Vorst, archief Hof van Beroep Brussel, Serie II, gerechtsdossiers, dossier 1337.
- Hubert Granzella: Rijksarchief Bergen, archief Gevangenis van Bergen, morele registers, nr. 300, folio 163. Gegevens over zijn periode in de Rijksweldadigheidskolonie staan online.
Wim Vandenberghe is vrijwilliger bij Outlaw. Naast leerlingen met leermoeilijkheden helpen, geniet Wim ervan om eindeloos en koppig te speuren in historische bronnen om het onvindbare te vinden. Hij kan ook bezems en stoelen op zijn voorhoofd en kin balanceren, wat zijn leerlingen duizendmaal meer appreciëren dan verhalen over saaie, stoffige archieven.



