In de loop van de negentiende en twintigste eeuw belandden talloze minderjarigen met probleemgedrag in heropvoedingsinstellingen. Vaak brachten ze maanden of zelfs jaren door binnen de muren van deze inrichtingen. Hoe beïnvloedde hun leeftijd de manier waarop ze hun opsluiting beleefden? In een recent artikel in Social History bespreekt Laura Nys hoe minderjarige gedetineerden omgingen met hun opsluiting. Het artikel is gebaseerd op dossiers uit vier Belgische heropvoedingsinstellingen tussen 1900 en 1960. Hieronder lees je een samenvatting van het artikel.
‘Attendre, toujours attendre’
“Chers parents”, schreef de negentienjarige Gabrielle in de zomer van 1930:
Je suis contente de pouvoir vous dire que j’ai tenu bon jusqu’à présent. Cette semaine j’ai en ma mention honorable, et Monsieur le Directeur m’a dit que si je continuais ainsi qu’au nouvel an je serai auprès de vous. N’importe, c’est encore bien long cinq mois, attendre, toujours attendre mais j’enrage d’attendre depuis 4 ans moi, et ma patience commence à s’émousser joliment. J’ai tenu bon jusqu’à présent vous dis-je mais tiendrais-je encore longtemps, encore cinq moi[s]?[1]
Toen ze deze brief schreef, was Gabrielle opgesloten in het Rijksopvoedingsgesticht van Brugge, een disciplinaire afdeling voor meisjes met weerspannig gedrag. Veel jongeren in instellingen zoals die van Brugge waren gearresteerd voor kleine vergrijpen zoals landloperij, diefstal of – in het geval van meisjes – seksuele losbandigheid. Anderen werden naar de kinderrechter gebracht na een klacht van hun ouders. Als de kinderrechter een jongere naar een heropvoedingsinrichting stuurde, was de opsluitingsduur niet op voorhand bepaald. De jongeren werden pas vrijgelaten als hun gedrag – in de ogen van de personeelsleden – voldoende was verbeterd. De datum van vrijlating was dus onzeker.
Gabrielle had de afgelopen vier jaren doorgebracht in verschillende inrichtingen. Hoewel haar brief getuigt van haar hoop op een spoedige vrijlating, verraden haar woorden hoe zwaar de resterende tijd haar viel. Bovendien speelde ook haar leeftijd mee, zoals ze zelf schreef : “concevez-vous qu’une jeune fille de vingt ans puisse sans révolte ni murmure accepter d’être en cellule les trois-quarts du temps ?” Het wijst erop dat jongeren de opsluiting anders ervaarden.
Bronnen: persoonsdossiers en briefwisseling
Gabrielles brief is bewaard in haar persoonsdossier. Elke jongere in een heropvoedingsschool had zo’n individueel dossier. Daarin werden alle documenten verzameld die relevant waren voor de instelling: administratieve en gerechtelijke documenten, psycho-pedagogische observatieverslagen en ook persoonlijke correspondentie. Er zijn verschillende redenen waarom brieven in de dossiers bewaard werden. Soms had een jongere geen toestemming om naar huis te schrijven of werd de brief gecensureerd. Af en toe kopieerde de directeur een brieffragment omdat de brief inzicht gaf in de verbetering (of het gebrek daaraan) van de jongere.
Voor dit artikel steunde ik op dossiers uit vier Belgische heropvoedingsscholen tussen 1900 en 1960: de jeugdafdeling in de gevangenis van Gent en Sint-Andries Brugge, en de rijksopvoedingsgestichten van Brugge en Mol. De meeste jongeren in deze instellingen waren tussen de 16 en 21 jaar oud en kwamen vooral uit kwetsbare milieus. Ik bespreek drie verschillende betekenissen van tijd en opsluiting: de invloed van leeftijd op de detentiebeleving, het gebruik van leeftijd als een instrument van onderhandeling, en tot slot de manier waarop jongeren omgingen met de onzekerheid van de vrijlatingsdatum.

Rijksarchief Brugge, M35, 1321, Dossier 202, ca. 1893.
Jong en gevangen: “passer toute ma jeunesse entre quatre murs”
Gedetineerden zijn geïsoleerd en afgesneden van de maatschappij en van hun geliefden. Zij ervaren hun tijd in detentie als verspilde tijd; tijd die van hun leven is afgenomen.[2] Precies dit is de onderliggende redenering van de opsluiting als straf: de opsluiting is niet alleen een manier om mensen te hervormen, maar is ook een ‘betaling’ voor gepleegde misdrijven. Zoals eerder aangehaald, speelde er voor Gabrielle nog iets anders mee: ‘Kun je je voorstellen dat een jong meisje van 20 jaar zonder klagen aanvaardt dat ze driekwart van de tijd in een cel zit?’, schreef ze. Voor Gabrielle beïnvloedde haar leeftijd dus hoe ze haar opsluiting ervaarde.
In het interbellum werd de fase tussen kindertijd en volwassenheid steeds vaker gezien als een onbezorgde ‘gouden tijd’.[3] Ongehuwde jonge vrouwen uit de arbeidersklasse kregen toegang tot de arbeidsmarkt. Dit gaf hen een zekere financiële marge en daardoor meer zeggenschap op het gebied van consumptie, vrije tijd en vermaak. Sommige jonge vrouwen die opgesloten waren in het rijksopvoedingsgesticht van Brugge, verwezen in hun brieven naar dit idee van de jeugd als een ‘gouden tijd’. Gabrielle betreurde het dat haar jeugd haar ontnomen was: “le fait de passer toute ma jeunesse entre quatre murs m’a tellement aigrie ”, schreef ze aan de directeur. Deze associatie tussen jeugd, vermaak en autonomie is ook te zien bij Marie. In een brief aan haar ouders uit 1928 schreef ze dat haar leven tot nu toe ‘één grote teleurstelling’ was [une longue déception][4], waar ze aan toevoegde:
“Je n’ai pas encore 20 ans et cependant, le croyiez-vous, la vie me pèse”.
“Vader, het verstant komt toch met de jaren, niet?”
Ook andere jongeren spraken over het idee vat jeugd als een eindige levensfase, maar niet iedereen zag dit als iets negatiefs. Een jongen in het Rijksopvoedingsgesticht van Mol verzocht de directeur om vrijlating, en voegde daaraan toe: “Daar ik nu ook begin man te worden en alles begrijp wat ik moet doen en laten”.[5] In tegenstelling tot Gabrielle gaf hij een positieve invulling aan zijn jeugd. Zijn woorden moeten natuurlijk ook in de context van zijn verzoek worden gelezen. Door te wijzen op zijn verantwoordelijkheidsgevoel en maturiteit, versterkte hij zijn aanvraag.
Gelijkaardige opvattingen vinden we terug in brieven die ouders aan de instelling schreven met het verzoek om hun kinderen vrij te laten. Een vader schreef bijvoorbeeld over zijn zoon:
zij hebben hem wel opgesloten maar grote feiten heeft hij niet misdaan hij was toen nog een kind […], zijn verst[a]nd was toen nog niet helemaal ontwikkeld nu is hij 20 jaar en tis te hopen dat alles nu voorbij is”[6]
Leeftijd werd dus gebruikt als argument bij een verzoek tot vrijlating. Niet alleen volwassenen uitten deze mening – sommige kinderen zelf deden dat ook. Toen Isidoor in 1928 in de jeugdgevangenis van Mol terechtkwam, schreef hij aan zijn vader:
Vader, het verstant komt toch met de jaren, niet? [7]
In één geval gebruikten jongeren hun leeftijd ook om meer rechten binnen de hervormingsschool op te eisen. In de jaren vijftig klaagde een jongen in Mol over de vroege bedtijd in de zomer: “Om 21u15 zijn we tebed (sic) en moeten we zwijgen dat is goed voor jongens van 7 à 8 jaar maar niet voor jongens van 17, 18, 19 jaar.”[8] De jongeren toonden dus een bewustzijn van hun leeftijd en de sociale betekenis die daaraan verbonden was.
Aftellen tot de vrijlating
Gedetineerden die hun vrijlatingsdatum kennen, ervaren hun tijd in de gevangenis niet als tijd die ‘vooruitgaat’, maar tijd die ‘achteruitgaat’: ze tellen af naar de vrijlatingsdatum. De jongeren die na 1912 in de heropvoedingsinstellingen kwamen, kenden hun hun vrijlatingsdatum echter niet. Zoals hoger vermeld, was de opsluitingsduur afhankelijk van hun verbetering. Geconfronteerd met de onzekerheid over hun resterende tijd, probeerden veel jongeren toch een manier te vinden om de voortgang van de tijd te controleren. In plaats van af te tellen tot de datum van vrijlating, telden ze af naar hun 21e verjaardag, wanneer ze de wettelijke meerderjarigheid zouden bereiken. Zodra ze volwassen waren, verloor de kinderrechter zijn bevoegdheid over de minderjarigen.
Het belang van dit aftellen blijkt uit de brieven van de jongeren waarin ze de tijd in kleine eenheden verdeelden om de voortgang te meten. Sommigen maten de tijd in maanden, anderen in dagen. Marie schreef bijvoorbeeld aan haar ouders dat ze nog ‘447 dagen’ in Brugge moest blijven.[9] Het belang van deze datum was soms letterlijk zichtbaar in het handschrift. Tobie, die vastzat in de jeugdgevangenis van Gent.[10], voegde de datum van zijn vrijlating in grote letters toe aan zijn brief:
Maar goeden moet en er zal wel een ander leven beginnen den 22 MAART 1910 VRIJ. En dan is het veel beter dan nu zoo dus naar lijden komt verblijden naar regen zonnenschijn.
[uw] zoon D

Rijksarchief Gent, M44, 1908, Dossier 4074.
Meer weten
- Deze blogpost is een samenvatting van: Nys, Laura. 2025. “‘Spending My Youth between Four Walls’: Experiences of Time in Belgian Reform Schools, 1900–1960.” Social History 50 (4): 427–44. doi:10.1080/03071022.2025.2545075.
Geen toegang? Wij beschikken over enkele gratis digitale exemplaren. Mail naar laura.nys@ugent.be - Over hoe jongeren in opsluiting naar hun toekomst keken, zie Nys, Laura. “Toekomstperspectieven en tijdsbeleving van jongens en meisjes in opsluiting (1927-1957).” Historica (Amsterdam), vol. 43, no. 1, 2020, pp. 10–15.
Over de auteur
Laura Nys is postdoctoraal onderzoeker aan de UGent en werkt voor project Outlaw. In haar proefschrift onderzocht ze de rol van emoties in Belgische heropvoedingsinstellingen. Ze doet onderzoek naar de geschiedenis van emoties, jongeren, gevangenissen, sociale bewegingen en autobiografische documenten. Profielpagina & Publicaties
[1] Rijksarchief Brugge (RAB), M24, 834, Dossier 26, Brief aan haar ouders, 11 Augustus 1930
[2] E. Goffman, Asylums: Essays on the social situation of mental patients and other inmates (London, 1991 [1961]), 11 en 17.
[3] B. Søland, ‘Employment and enjoyment: female coming of age experiences in Denmark 1880s–1930s’ in M.J. Maynes, B. Søland and C. Benninghaus (eds), Secret Gardens, Satanic Mills: Placing girls in European history, 1750–1960 (Bloomington, 2005), 254–68.
[4] RAB, M24, 830, Dossier 3, Brief, 13 Februari 1928.
[5] Rijksarchief Antwerpen-Beveren (RAAB), M17 467, Dossier 5177, Brief 1 Mei 1930
[6] RAAB, M17, 577, Dossier 6954, Brief aan de directeur, 1 Februari 1950
[7] RAAB, M65, 637, Dossier 3653, Brief, 5 Mei 1927
[8] RAAB, M17, 324, Jongen geciteerd in een brief van de directeur aan de Minister van Justitie, 30 Mei 1959.
[9] RAB, M24, 830, Dossier 3, Brief aan haar ouders, 13 Februari 1928.
[10] Rijksarchief Gent, M44, 1908, Dossier 4074, letter s.d., tussen 1905 en 1910. De letter ‘D’ verwijst naar zijn achternaam.